WAAR GAAT DE REIS NAARTOE?
RAILS Paul Brandt, maart 1999
Ooit liepen we daar eens in de bergen, toen we twee mannen met geweren op hun schouder tegenkwamen. Uit het gesprekje dat we met hen voerden, bleek dat zij al drie dagen liepen te jagen zonder ook maar één dier gezien te hebben. Daar hadden ze vreselijk de pest over in. Hun echtgenotes waren er namelijk toch al op tegen geweest dat de mannen een paar dagen de hort op waren, maar die hadden uiteindelijk gedacht: nou vooruit, dan hebben we in ieder geval lekker vlees te eten als ze terugkomen. Dus nu de heren na drie dagen ook nog met lege handen zouden thuiskomen, stond hun beslist geen warm onthaal te wachten. Maar goed, de onfortuinlijke jagers liepen verder en ze waren nog maar nét de bocht om, toen er plotseling een fazant van ik schat wel tien kilo uit de struiken schoot - die had zich dus tijdens ons gesprek op een meter afstand schuilgehouden onder een paar takjes. Aan het strand zul je me nooit zien, want ik ben geen zonaanbidder. Ik kom alleen nog wel eens aan de kust om te wandelen. Over de rotsen is een prachtig pad, dat af en toe beneden langs de zee loopt en dan weer omhoogklimt, over een lengte van een kilometer of zeven van Cap St.-Martin tot Monaco. Heel romantisch. Het leuke is dat je onderweg paleisachtige huizen tegenkomt, die daar in vorige eeuwen door extreem rijke types zijn neergezet. Het is niet dat ik iedere dag iets onderneem, hoor, want eigenlijk doe ik heel weinig op vakantie. Jarenlang liet ik bewust mijn gitaar thuis om niet in de verleiding te komen muziek te gaan maken. Maar sinds kort heeft mijn zus een aantal vrienden die muzikant zijn, waardoor het er nu toch wel eens van komt dat ik zit te spelen. De ene is flamencogitarist en twee anderen zijn percussionisten die helemaal op de Afrikaanse muziek georiënteerd zijn, muziekstijlen die voor mij nogal exotisch zijn. Dat levert grappige situaties op, want de enigszins vergelijkbare ritmes die ik ken, heb ik in Amsterdam geleerd van Antillianen en Surinamers en die Afrikaanse ritmes zijn toch weer heel anders. Eén van die percussionisten had een keer een djembé meegenomen - zo'n grote, Afrikaanse trommel die gebruikt wordt om berichten van dorp tot dorp over te seinen - waarmee we op het terras van het huis begonnen te spelen. Binnen tien minuten hebben we toen de hele vallei over ons heen gekregen: iedereen was zijn huis uitgerend om te schreeuwen of dat lawaai kon ophouden. In een dronken bui ben ik ook eens a capella gaan zingen op een caféterras in Menton. Dat sloeg nogal aan, dus dat bracht mij op het idee om als straatmuzikant te gaan optreden, ook omdat ik in die tijd geen rooie cent had. Ik heb toen geleerd dat straatmuzikant zijn een vak is, wat ik helaas niet beheers. Ik denk dat je er hetzelfde talent voor nodig hebt als een marktkoopman. Om eerst de aandacht te trekken en de mensen vervolgens zo lang mogelijk vast te houden, dat lukte me gewoon niet. Ik heb geloof ik tien franc verdiend, meer niet. En ik zag al die andere muzikanten daar met zakken vol geld weggaan. Het eten in Zuid Frankrijk vind ik helemaal niks. Dat zeg ik niet omdat eten me niet zou interesseren - integendeel, ik hou heel erg van lekker eten - maar ik ben daar simpelweg nog nooit in een restaurant geweest waar ik het bijzonder goed vond. In Italië bijvoorbeeld kun je wél heerlijk eten; als je pakweg dertig kilometer landinwaarts gaat, vind je van die dorpjes met restaurants zonder menukaart. Als je daar gaat zitten, is het ene wat je voorgeschoteld krijgt nog lekkerder dan het andere. Ik weet ook niet waarom je dat in Zuid Frankrijk niet hebt: cultuurverschil, zou ik zeggen. Het geldt namelijk niet alleen in het zuiden wat mij betreft: ik heb vrijwel nooit lekker gegeten in Frankrijk." « [Media] |